to beken — English conjugation

Frequency: #467 in English

Indicative

Present (Simple Present)

Ibeken
youbeken
he/she/itbekens
webeken
you (pl.)beken
theybeken

Past (Simple Past)

Ibekenned
youbekenned
he/she/itbekenned
webekenned
you (pl.)bekenned
theybekenned

Present continuous (Present Continuous)

Iam bekenning
youare bekenning
he/she/itis bekenning
weare bekenning
you (pl.)are bekenning
theyare bekenning

Past continuous (Past Continuous)

Iwas bekenning
youwere bekenning
he/she/itwas bekenning
wewere bekenning
you (pl.)were bekenning
theywere bekenning

Present perfect (Present Perfect)

Ihave bekenned
youhave bekenned
he/she/ithas bekenned
wehave bekenned
you (pl.)have bekenned
theyhave bekenned

Past perfect (Past Perfect)

Ihad bekenned
youhad bekenned
he/she/ithad bekenned
wehad bekenned
you (pl.)had bekenned
theyhad bekenned

Future (will) (Future Simple)

Iwill beken
youwill beken
he/she/itwill beken
wewill beken
you (pl.)will beken
theywill beken

Future continuous (Future Continuous)

Iwill be bekenning
youwill be bekenning
he/she/itwill be bekenning
wewill be bekenning
you (pl.)will be bekenning
theywill be bekenning

Future perfect (Future Perfect)

Iwill have bekenned
youwill have bekenned
he/she/itwill have bekenned
wewill have bekenned
you (pl.)will have bekenned
theywill have bekenned

Subjunctive

Conditional (would) (Conditional)

Iwould beken
youwould beken
he/she/itwould beken
wewould beken
you (pl.)would beken
theywould beken